Er zijn verschillende fases in grassroot-processen en -projecten te definiëren. Het is noodzakelijk om eerst ‘op kleine schaal’ een grassroot-initiatief te staren en steunen. Dat krijgt pas vleugels als er experts aanhaken. Dan is er bestendigheid en ontstaat belangstelling van de markt en/of de overheid. Cultiveer dus betrokkenheid van actoren die iets toe te voegen hebben – tijdens de fase waarin zij het meeste toe te voegen hebben (Seyfang and Haxeltine, 2012) en vergroot en versterk publiek-privé partnerschappen (Lam and Mullen, 2012).

 

Achtergrond

‘Growing grassroots innovations: exploring the role of community-based initiatives in governing sustainable energy transitions’
Seyfang en Haxeltine (2012)
Environment and Planning C: Government and Policy 30 (3): 381 – 400

Seyfang en Haxeltine stellen dat de huidige uitdagingen rond klimaatverandering (en peak oil) het vraagstuk van duurzame energie hoog op de politiek-bestuurlijke agenda heeft gekregen. Het agenderen op bestuurlijk niveau is echter onvoldoende om ook daadwerkelijke veranderingen te bewerkstellingen, zo stellen de auteurs: dat vraagt om ‘wide transformations in sociotechnical systems of provision.’ Sterker nog: in hun ogen is het cruciaal, willen we de dynamiek van een dergelijke transformatie goed begrijpen, om vooral ook oog te hebben voor de sociale dynamiek. De wetenschappelijke literatuur heeft, tot nog toe, vooral oog gehad voor ‘market-based technological innovations.’ Seyfang en Haxeltine stellen in hun onderzoek de ‘context of civil-society-based social innovation’  en ‘community-based initiatives’ centraal. Hun case-study focust op de transitie in het Verenigd Koninkrijk: door middel van een empirische studie brengen ze in kaart, hoe in Engeland de zogenaamde Transition Towns movement (een ‘grassroots innovation’) aan de slag is gegaan.

Daarbij wijzen Seyfang en Haxeltine op een aantal mogelijke succesformules in het opbouwen van een groep betrokken burgers . Om er een aantal te noemen: het opbouwen (en koesteren) van banden met lokale resourceful regime actors (lees: bestuurders met mogelijke impact, buurtburgemeesters met gezag in de gemeenschap, etc.); het goed en realistisch ‘managen’ van verwachtingen (lees: zorg liever voor wat kleinere, maar haalbare en schaalbare korte termijndoelen, waar succes gehaald kan worden, dan voor wat op de langere termijn gelegen ‘hogere doelen’). In hun ogen leert de ervaring in Engeland dat ‘delivering tangible opportunities for action and participation’ een lokale gemeenschap het best in beweging kan krijgen. Daarbij is het zaak om ‘a community-based, action-oriented model of social change (in preference to a cognitive theory of behaviour change)’ centraal te stellen. Ook de Duitse case-study van Busch en McCormick (2014) illustreert treffend hoe belangrijk de lokale gemeenschap is, bij het opzetten en uitvoeren van plannen rond energietransitie.

Vergelijkende analyse van best practices van duurzame communities: een case study uit Adelaide (Comparative Analysis of Best Practices of Sustainable Communities: Adelaide, Australia Case Study)
Alven Lam en Brianne Mullen (2012)
http://www.jstor.org/stable/41958951?seq=1#page_scan_tab_contents

Lam en Mullen stellen vast, na bestudering van een aantal cases in Adelaide, dat een governance framework waarbij nationale en regionale steun voor het lokale beleid wordt uitgesproken, essentieel is wil er op stedelijk niveau succesvol ingezet kunnen worden op energie-transitie en duurzaamheid. Ook onderschrijven ze het belang van (kleine) financiële incentive programma’s. Seed money kan een belangrijk instrument zijn om samenwerking te bevorderen, die na wat opschaling uiteindelijk door de markt (bijvoorbeeld in de vorm van publiek-private samenwerking) een groei naar volwassenheid kan inzetten.